Welbeschouwd: desalniettemin, niettegenstaande (3)

Hij had nog gelijk ook
Deze aflevering is eigenlijk niet volgens plan. Ik mik op één, hooguit twee columns per maand. Dat is ook zo’n beetje de deal met de redactie van deze krant (BK).

Waarom dan nu tóch alweer in de pen geklommen? Om een paar dingen recht te zetten. Ik noem die hieronder.

1. Iedereen lijkt uit mijn column op te maken dat ik in de verkiezingen vóór D66 ging. Prima wat mij betreft, maar ik heb in die vorige column D66 nérgens letterlijk genoemd.

2. Ja, ik heb leuke reacties gehad op die column! Zomaar, soms midden op straat van mensen die ik absoluut niet kende, hooguit vaag van gezicht.

3. De mooiste reactie voor mij: een persoonlijk, zelf geformuleerd bedankje van Sigrid Kaag.
4. Bijna nét zo mooi: een bedankje van de leider van het Campagne & Communicatie team van D66 Salland!

5. Nee, ik heb geen premie ontvangen voor die foto van onze middenstander ‘Kloas’, noch van ’t Bockje’. Vind ik ook ongepast vanwege mogelijke belangenverstrengeling. Ook een columnist moet daarin scherp blijven om zijn onafhankelijkheid te borgen. Terzijde: beide middenstanders weten precies waarmee ze mij persoonlijk een groot plezier zouden doen!

Dan nog wat anders. Of ik niet élke week zo’n column kan schrijven. Wel, los van de vraag of de redactie dat zou accepteren, zeg ik ronduit néé! Reden: het kost me te veel tijd die ik aan andere verplichtingen moet besteden. Mensen blijken veel te gemakkelijk te denken over hoe eenvoudig het voor mij is zo’n column te schrijven. Geloof me: het is een compleet gevecht voor mij, elke keer weer. In maximaal 500 woorden een duidelijke boodschap te brengen die óók nog eens onderbouwd is met hittebestendige argumenten! Dat is bijna ongekend, zéker in mijn geliefde Bathmen. Het kost me zóveel energie dat ik mijn vrouw en kinderen, alsmede de dokter, heb moeten beloven die frequentie niet op te voeren.

Kan ik dan geen kórte stukjes schrijven? Oh, jawel, maar daar heb ik ándere afzetkanalen voor. Laat ik afsluiten met een voorbeeld van zo’n prachtig kort stukje.

Een nichtje van mij bezocht met haar zoontje Luuk, nog geen drie jaar, een groot warenhuis. Luuk raakte zijn moeder kwijt en was natuurlijk wat overstuur. Een paar volwassenen ontfermden zich over hem, merkten wat er aan de hand was, vroegen hoe hij heette en stelden hem een beetje gerust. Vervolgens de vraag: ‘Luuk, vertel eens, hoe ziet jouw mamma eruit?’ Luuk, vol overtuiging en met stralende ogen: ‘Prááááchtig!’

Terzijde: hij had nog gelijk ook.